Acute diarree komt vaak voor bij honden en ziet er voor eigenaren al snel zorgelijk uit. Toch verloopt het bij volwassen honden meestal mild en herstelt de ontlasting binnen enkele dagen. Dierenartsen gebruiken verschillende vormen van ondersteuning, variërend van dieetmaatregelen tot aanvullende medicatie. Het Duitse onderzoek van Stübing et al. (2024) biedt waardevolle inzichten in wat metronidazol en een synbioticum doen bij milde acute diarree — zowel klinisch als in het microbioom.
Hoe het onderzoek was opgezet
De studie werd uitgevoerd in twee eerstelijns- en tweedelijns dierenklinieken in München. De onderzoekers includeerden 27 volwassen huishonden met acute diarree die maximaal vijf dagen duurde. Het ging om ongecompliceerde diarree: honden met bloed in de ontlasting, koorts, tekenen van dehydratie, systemische ziekte of acute hemorragische diarree (AHDS) werden uitgesloten. De honden waren ouder dan negen maanden, wogen tussen de vijf en vijftig kilo en hadden in de weken voorafgaand aan de studie geen antibiotica, probiotica of NSAID’s gekregen.
De studiepopulatie weerspiegelde de dagelijkse praktijk. Het ging om een breed palet aan rassen en kruisingen, van Labradors, Vizsla’s en Golden Retrievers tot Poodles, Maltezers, Chihuahua’s, Mopshonden, Franse Bulldogs en diverse kruisingen. Een deel van de honden had voorafgaand aan de presentatie gebraakt of eerder diarree gehad. Veel eigenaren noemden een mogelijke voedingsfout of een stressmoment als aanleiding voor de klachten. De meeste honden kregen een commercieel compleet dieet; één hond kreeg een commercieel vegan dieet.
Alle honden kregen dezelfde ondersteunende basiszorg:
- eenmalig maropitant,
- twee dagen metamizol,
- en gedurende zeven dagen Hill’s Gastrointestinal Biome,
- zonder snacks of tafelrestjes.
Daarbovenop kreeg de helft metronidazol (Metrobactin) en de andere helft een synbioticum (NutraPro K9).
Om te voorkomen dat eigenaren wisten welke behandeling hun hond kreeg, maakten de onderzoekers gebruik van een blindingsprotocol. Zowel metronidazol (Metrobactin) als het synbioticum (NutraPro K9) werd daarvoor in identieke capsules verpakt. Iedere hond kreeg hetzelfde aantal capsules, passend bij de vooraf vastgestelde gewichtscategorie. Deze verpakkingsvorm is specifiek voor het onderzoek en wijkt af van de gebruikelijke toedieningsvormen in de dagelijkse praktijk.
Beperkingen van het onderzoek
De behandelingen en het dieet werden thuis door de eigenaren uitgevoerd. Beide middelen waren in identieke capsules verpakt vanwege het blindingsprotocol van de studie. De eigenaren kregen instructies over het geven van de capsules en over het voeren van het dieet, maar in de praktijk ontstaat altijd enige variatie in hoe strikt zulke adviezen worden gevolgd.
Daarnaast werd de CADS-index deels door eigenaren gescoord. Bepaalde onderdelen, zoals de hoeveelheid ontlasting en de consistentie op basis van de Purina Fecal Scoring Chart, zijn redelijk objectief. Andere, zoals activiteit, zijn gevoeliger voor interpretatie en verschillen per eigenaar.
Een belangrijke beperking is het ontbreken van een placebogroep, waardoor het effect van alleen de basiszorg niet afzonderlijk is beoordeeld. De onderzoeksgroepen waren relatief klein, maar de gevonden effecten op het microbioom sloten nauw aan bij eerder onderzoek naar metronidazol. Daardoor is het niet waarschijnlijk dat de kernuitkomsten met een grotere populatie wezenlijk anders zouden zijn geweest.
Klinisch herstel: beide groepen herstellen even snel
Het herstel verliep bij beide groepen vlot. De CADS-index liet zien dat de diarree bij de meeste honden binnen enkele dagen afnam en dat defecatiefrequentie, consistentie en algemeen welbevinden normaliseerden. Er was geen klinisch verschil tussen metronidazol en het synbioticum.
Hoewel de metronidazolgroep op dag 3 een iets lagere CADS-score had, waren de diarree-specifieke parameters op die dag niet verschillend. Daarna verliep het herstel bij beide groepen overeenkomstig. De diarree was zelflimiterend en herstelde vanzelf binnen de ondersteunende basiszorg.
Het microbioom: waar de verschillen wél zichtbaar werden
Klinisch herstelden de honden even snel, maar het microbioom liet een duidelijk ander beeld zien. De eerste dagen diarree zelf leidden slechts tot milde verschuivingen; de grote verschillen ontstonden door de behandeling.
C. hiranonis: het belangrijkste kantelpunt
Bij aanvang lagen de waarden van C. hiranonis in 78% van de honden binnen de referentie, zonder significant verschil tussen de groepen. De verschillen ontstonden pas na start van de behandeling.
Op dag 6 was de daling in de metronidazolgroep uitgesproken, terwijl de synbioticumgroep stabiel bleef. Ook op dag 30 was de hoeveelheid C. hiranonis in de metronidazolgroep nog lager dan in de synbioticumgroep. De grens van 4,5 log DNA/g feces is relevant: boven die waarde worden primaire galzuren vrijwel volledig omgezet in secundaire galzuren. In de metronidazolgroep zat 93% van de honden op dag 6 onder die grens, en op dag 30 gold dat nog voor 42%.
Deze daling sluit aan bij het mechanisme dat vaker wordt gezien: wanneer C. hiranonis daalt, daalt de omzetting van galzuren en wordt het ecosysteem tijdelijk minder stabiel.
Anaerobe kernbacteriën: daling door metronidazol
Naast C. hiranonis daalden in de metronidazolgroep ook andere belangrijke anaeroben, waaronder Faecalibacterium, Blautia en Fusobacterium. Dit zijn groepen die betrokken zijn bij fermentatie en de productie van SCFA’s. Hun afname past bij het bekende patroon: wanneer anaerobe flora wordt onderdrukt, krijgen facultatieve bacteriën ruimte.
E. coli: toenemend door metronidazol, niet door diarree
Op dag 0 waren er geen verschillen tussen de groepen; slechts 9% van alle honden had toen al een hogere hoeveelheid E. coli. De stijging ontstond pas tijdens de behandeling.
In de metronidazolgroep nam E. coli op dag 6 en dag 30 duidelijk toe. In de synbioticumgroep was sprake van een zelflimiterende daling. De stijging is dus geen gevolg van de diarree zelf, maar van de verschuiving in het microbioom door onderdrukking van anaerobe bacteriën.
C. perfringens: tijdelijk verhoogd, maar zelflimiterend
Bij aanvang had 35% van de honden een hogere hoeveelheid C. perfringens, wat past bij het beeld van milde acute diarree. Deze waarden normaliseerden bij alle honden op dag 6, en bij het merendeel op dag 30.
Er was geen verschil tussen de behandelingen. Ook pathogene varianten, zoals enterotoxineproducerende stammen, volgden dit zelflimiterende patroon. NetF, een toxine dat vaker hoort bij AHDS, werd slechts bij enkele honden op dag 0 aangetroffen.
Deze bevindingen ondersteunen het idee dat C. perfringens bij milde acute diarree meestal onderdeel is van een voorbijgaande dysbiose en geen specifiek doelwit voor behandeling hoeft te zijn.
Waarom het galzuurmetabolisme centraal staat
C. hiranonis is een sleutelsoort binnen de omzetting van primaire naar secundaire galzuren. Secundaire galzuren remmen de groei van bepaalde bacteriën en helpen de stabiliteit van het ecosysteem te bewaren. Wanneer C. hiranonis daalt — zoals bij metronidazol — daalt ook deze omzetting. Dat maakt het ecosysteem tijdelijk kwetsbaarder.
De auteurs beschrijven één hond bij wie C. hiranonis al op dag 0 opvallend laag was, samen met een verhoogde Dysbiosis Index. Deze hond ontwikkelde 24 maanden later chronische klachten. De rest van de honden had bij aanvang waarden binnen of net onder de referentie. De diarree zelf gaf dus geen grote afwijkingen in de kernflora; de verstoringen ontstonden vooral door metronidazol.
Onderzoek naar CE en de rol van galzuren
Ook bij honden met chronische enteropathie (CE) speelt C. hiranonis een centrale rol in het herstel van de darmgezondheid. In deze groep blijkt dat honden die goed reageren op dieettherapie vaak een duidelijke toename van C. hiranonis laten zien, samen met hogere concentraties secundaire galzuren. Deze secundaire galzuren helpen de bacteriële balans te reguleren en remmen de groei van bepaalde pathobionten. Tegelijkertijd dalen bacteriesoorten zoals E. coli en C. perfringens, die bij CE regelmatig in verhoogde aantallen aanwezig zijn.
Bij honden die minder goed reageren op dieet en vervolgens metronidazol krijgen, ontstaat een omgekeerd patroon: C. hiranonis daalt verder en de productie van secundaire galzuren neemt af. Hierdoor blijft het ecosysteem kwetsbaar en blijven pathobionten relatief overheersend. Dat sluit nauw aan bij de verstoringen die in het acute-diarreeonderzoek werden gezien: ook daar daalde C. hiranonis door metronidazol, terwijl herstel juist samenhing met stabilisatie van deze bacterie.
Hoewel chronische enteropathie en acute diarree verschillende aandoeningen zijn, laten beide onderzoeken hetzelfde fundament zien:
een stabiel galzuurmetabolisme — en daarmee een stabiele aanwezigheid van C. hiranonis — vormt een belangrijke voorwaarde voor microbieel herstel.
Bron: Vervink, L., Simpson, K. W., Harmeyer, J., Suchodolski, J. S., & Lidbury, J. (2022). Impact of bile acid diarrhoea and bacterial dysbiosis in dogs with chronic enteropathy. Journal of Veterinary Internal Medicine, 36(3), 985–995.
Het GI Biome-dieet en de rol van vezels
Het vezelrijke dieet dat alle honden kregen, speelde waarschijnlijk een belangrijke rol in de vlotte normalisatie van de ontlasting. Vezels ondersteunen fermentatie, stabiliseren de darmpassage en dragen bij aan de productie van SCFA’s zoals butyraat. Deze stoffen zijn belangrijk voor de energievoorziening van de darmwand en helpen de vochtbalans te reguleren.
Hoewel het onderzoek alleen Hill's Prescription Diet Gastrointestinal Biome gebruikte, is bekend dat andere vezelcombinaties — met bijvoorbeeld psyllium, cellulose, inuline, FOS of MOS — vergelijkbare fysiologische ondersteuning kunnen bieden.
Plaatsbepaling binnen de Nederlandse praktijk
Omdat het onderzoek in Duitsland is uitgevoerd en er in Nederland geen openbare voorschrijfdata beschikbaar zijn voor metronidazol bij honden, zijn landelijke vergelijkingen niet mogelijk. Dat verandert niets aan de inhoudelijke lijn: in deze studie gaf metronidazol geen klinisch voordeel bij milde acute diarree, terwijl het microbioom wel duidelijk werd beïnvloed.
Wat betekent dit voor hondeneigenaren?
Voor hondeneigenaren is vooral belangrijk dat milde acute diarree bij volwassen honden vaak binnen enkele dagen herstelt. Rust, voldoende vocht en een vezelrijke, licht verteerbare voeding vormen dan een goede basis. Antibiotica versnellen dit herstel niet. In dit onderzoek leidde metronidazol juist tot een duidelijke verstoring van de darmflora, terwijl het synbioticum het ecosysteem in een rustiger richting begeleidde. Dat maakt een synbioticum geen behandeling, maar een passende ondersteuning van het natuurlijke herstelproces van de darmen.
Er zijn situaties waarin diarree wél reden is voor overleg met een dierenarts: bloed in de ontlasting, veel braken, sufheid, uitdroging, en bij pups, senioren of honden met bestaande gezondheidsproblemen. In die gevallen kan diarree sneller ontregelen en vraagt het om aanvullende diagnostiek of behandeling.
Er is een hardnekkig misverstand dat alle middelen die bij honden met diarree worden ingezet automatisch de darmflora aantasten. Dat klopt niet. Het effect op het microbioom hangt af van het type middel, het doel en de manier waarop het werkt.
Een goed voorbeeld is de situatie bij Giardia, een parasiet die diarree kan veroorzaken. In de praktijk worden hiervoor verschillende middelen ingezet, maar die middelen zijn inhoudelijk heel verschillend.
- Metronidazol is een antibioticum met daarnaast een antiprotozoaire werking. Het werkt dus zowel op bacteriën als op bepaalde parasieten. Hierdoor kan het de darmflora beïnvloeden, zoals in dit onderzoek ook te zien was.
- Panacur (fenbendazol) is geen antibioticum, maar een ontwormmiddel (anthelminticum) dat eveneens effectief kan zijn tegen Giardia. Het werkt specifiek op parasieten en heeft geen gerichte werking op bacteriën. In een gecontroleerd onderzoek bij gezonde honden had een standaardkuur fenbendazol nauwelijks invloed op de samenstelling van de darmflora. De kleine variaties bleven binnen de normale fysiologische spreiding en weken niet af van wat je ook ziet bij onbehandelde honden (Weber et al., 2020).
Dit laat zien dat middelen die allebei bij diarree door Giardia kunnen worden ingezet niet hetzelfde effect hebben op het microbioom. Het ene middel kan de bacteriële balans verstoren, het andere vrijwel niet. Door dit onderscheid goed te blijven maken, kun je als eigenaar en als professional beter beoordelen welke ondersteuning passend is bij een specifieke hond en situatie.
Conclusie
Het Duitse onderzoek laat zien dat metronidazol bij milde, ongecompliceerde acute diarree geen sneller herstel gaf, maar wel een duidelijke en soms langdurige verstoring van de darmflora veroorzaakte. Het synbioticum gaf geen sneller klinisch herstel, maar ondersteunde wel het microbieel herstel zonder deze verstoring.
Ondersteunende zorg en aandacht voor voeding sluiten daarmee goed aan bij het natuurlijke herstel van de darmen.
Bron (hoofdonderzoek): Stübing, H., Suchodolski, J. S., Reisinger, A., Werner, M., Hartmann, K., Unterer, S., & Busch, K. (2024). The effect of metronidazole versus a synbiotic on clinical course and core intestinal microbiota in dogs with acute diarrhea. Veterinary Sciences, 11(5), 197.